In Italië is er weer politieke onrust. De verkiezingen worden vervroegd naar februari 2013. En de eerder gewezen premier Silvio Berlusconi - niet bepaald de lieveling van beleggers - wil zich opnieuw kandideren. Niettemin blijft Robeco meer dan gemiddeld belegd in Italië. Een vraaggesprek met Kommer van Trigt, hoofd van Robeco’s renteteam over het hoe en waarom.

Het is toch doodeng om in Italië te beleggen?
Ik kan me voorstellen dat mensen dat denken. Want beleggers hebben vorig jaar grote verliezen geleden op Italiaanse schuldtitels, terwijl men zich veilig waande in staatsobligaties. Sinds de kredietcrisis is het risico op obligaties van een land als Italië flink toegenomen.

Waarom beleg je dan toch in Italië?
Vanwege het rendement. Afgelopen jaar hebben Italiaanse staatsleningen een rendement van 20% laten zien. De rente op Italiaanse leningen ligt op dit moment drie maal hoger dan op de Duitse staatsleningen. Het risico is natuurlijk ook hoger en het is de kunst om daar verstandig mee omgaan.

Hoe ga je verstandig om met de risico’s?
We hebben twee veiligheidskleppen ingebouwd in onze strategie. Ten eerste moet je altijd nadenken over een goede exit. We hebben geen glazen bol, dus wanneer het tij keert moet je snel uit kunnen stappen zonder hoge kosten. Je wilt niet vastzitten met posities die je niet kunt verkopen. Daarom beleggen we niet langer in Portugese en Ierse staatsschuld, maar wel in Italiaanse. Want de Italiaanse markt is één van de grootste ter wereld en dat betekent dat er altijd wel een markt is.
Ten tweede moet je kijken naar de beleggingsportefeuille als geheel. In de portefeuilles zorgen we voor een goede spreiding. We gaan natuurlijk niet 100% in Italië beleggen. We beleggen bijvoorbeeld ook in Duitse leningen, en wanneer Italië het slecht doet, ontstaat er een vlucht naar Duitsland.

Ben je niet bang dat de Italiaanse bevolking bezuinigingsmoe is en dat het niet lukt om de schuld terug te dringen?
Dat is het interessante aan Italië. De staatsschuld is weliswaar erg hoog (circa 126% van de economie), maar het overheidstekort loopt de spuigaten niet uit. De oplossing voor Italië is daarom niet zozeer meer bezuinigen, maar de regering moet de economie aanzwengelen. De arbeidsmarkt moet flexibeler, en het land moet afrekenen met het cliëntelisme, want dan komt er meer concurrentie en dat is goed voor de economische groei.
Dat maakt Italië een totaal ander geval dan Spanje. In Spanje ligt er een forse bezuinigingstaak, en dat voelen inwoners rechtstreeks in hun portemonnee. En let wel: Italië heeft minder problemen met de banken, en de markt voor onroerend goed is ook niet in crisis. Verder heeft de overheid dan wel veel schuld uitstaan, maar de particuliere huishoudens hebben bijvoorbeeld minder schulden dan in Nederland.