De roep om soepeler om te gaan met de Europese begrotingsregels klinkt steeds luider. Is dat verstandig? En waar komt die grens van 3 procent eigenlijk vandaan? Zes prangende vragen over de 3-procentnorm en het nut ervan.

Al 21 jaar geleden maakten de toekomstige eurolanden afspraken om hun financiën in toom te houden. Te grote tekorten drijven de rente op de staatsschuld op, met alle vervelende gevolgen van dien. Eurolanden mogen hun begrotingstekort – het verschil tussen inkomsten en uitgaven in een jaar – niet verder laten oplopen dan 3 procent van hun bruto binnenlands product. Die norm ligt nu onder vuur. Léon Cornelissen, chief economist bij Robeco, geeft een toelichting.

1. Waar komt die 3 procent vandaan?
Dat is eigenlijk nattevingerwerk. Toen in 1992 de handtekening werd gezet onder het Verdrag van Maastricht – de basis van de eurozone – bedroeg de gemiddelde schuld binnen de Europese Unie 60 procent van het bruto binnenlands product. Omdat economen het niet eens konden worden over de vraag wat een aanvaardbaar schuldniveau zou zijn, werd besloten de toenmalige schuldquote als norm te nemen. Uitgaand van een gemiddelde nominale economische groei van 5 procent en een inflatie van 2 procent, kom je uit op een begrotingstekort van 3 procent, om op de ondergrens uit te komen.

2. Is die norm wel haalbaar?
Het idee was om in goede tijden te streven naar een begrotingsevenwicht of zelfs -overschot. In slechte tijden zouden landen het tekort kunnen laten oplopen naar 3 procent. Daar is weinig van terechtgekomen. Het vergt extreme soberheid van landen om in goede tijden toe te werken naar een overschot. Dat is dan ook niet gebeurd, waardoor veel landen snel door de 3-procentgrens schoten, toen de crisis uitbrak.

3. Volgens critici remt de begrotingseis de economische groei af. Hebben zij gelijk?
Het is niet verstandig heel strak vast te houden aan die 3 procent, want dat is nu onhaalbaar. Je ziet dat veel landen onrealistisch ramen, om aan de eisen te voldoen. Vervolgens blijkt dat ze die norm niet halen, waarna ze fors moeten bezuinigen. Dat maakt burgers onzeker. Zij gaan vervolgens minder uitgeven, waarna de economie nog verder krimpt, de werkloosheid toeneemt en de belastinginkomsten slinken. Hierdoor valt het tekort nóg hoger uit, moet er nog forser worden bezuinigd en zo ontstaat een neerwaartse spiraal.

4. Wat is het alternatief?
De eurolanden kunnen zich beter focussen op de middellange termijn. In Nederland verkeren burgers nu op drie belangrijke fronten in onzekerheid: de arbeidsmarkt, de hoogte van hun pensioen en de woningmarkt. Die onzekerheid moet eerst worden weggenomen. Pas dan kan de weg omhoog weer worden ingezet.

5. Wat zijn de gevolgen als de 3-procentnorm wordt losgelaten?
Landen zullen hun schulden zien oplopen. De gevolgen daarvan hangen af van het vertrouwen dat de financiële markten hebben in de kredietwaardigheid van een land. Het vertrouwen dat Nederland zijn staatsschuld zal aflossen is groot, ook als het tekort boven de 3 procent uitkomt. Maar voor landen met zwakke regeringen, die hun tekorten laten oplopen, zonder dat er hervormingsmaatregelen worden genomen, geldt dat niet. Zij zullen meer rente over hun staatsleningen moeten betalen.

6. Hoe gaat het nu verder?
Europa staat voor een test. Sommige landen hebben uitstel gekregen om aan die 3-procentnorm te voldoen. Als het hierna nóg niet lukt, mag de Europese Commissie boetes opleggen. De grote vraag is of dat gaat gebeuren. Ik betwijfel dat. Er zijn tot nu toe nog nooit boetes uitgedeeld.