Het aantal beursgangen zit wereldwijd in de lift. Dit levert kansen op voor beleggers, maar succes is niet verzekerd. Fondsbeheerder Henk Grootveld vertelt hoe zo'n beursgang in zijn werk gaat en waar hij op let.

Het is dringen op de beurs. In januari kreeg kabelexploitant Altice een beursnotering. Euronext maakte vorige week een comeback, gevolgd door chemiebedrijf IMCD en Nationale-Nederlanden. In de coulissen staan ook ABN Amro en ASR klaar.
Na jarenlange windstilte, tonen steeds meer bedrijven interesse om geld op te halen bij beleggers. Gezien het positieve beursklimaat is dat niet zo verwonderlijk.
Henk Grootveld, fondsbeheerder van Rolinco, ziet het als een teken van toenemend optimisme. "De meeste bedrijven gaan naar de beurs omdat ze groeimogelijkheden zien en verwachten dat dit kans van slagen heeft."

Internetbubbel
De hausse doet denken aan het jaar 2000, toen vlak voor het knappen van de internetbubbel veel internetbedrijven de gang naar de beurs maakten. Toch zijn er belangrijke verschillen.  De huidige beurskandidaten zijn veel gezonder, oordeelt Grootveld. "Ze zijn over het algemeen winstgevend en hun prognoses zijn reëler."
Een ander verschil is dat de huidige beursintroducties over meerdere sectoren zijn verdeeld. In de VS wagen naast internetbedrijven ook veel ondernemingen in de biotechnologie en de gezondheidszorg de sprong. In Nederland vindt een deel van de beursintroducties zijn oorsprong in de crisis. Het gaat veelal om (dochterbedrijven van) banken die door de overheid zijn gered.
Grootveld signaleert een tweedeling in de beurskandidaten. "Een deel betreft snelle groeiers, die de winsten herinvesteren in het bedrijf. Een andere groep bestaat uit gevestigde bedrijven als Nationale-Nederlanden en Euronext, met een geringere groeipotentie, maar wel een stabiele dividendontwikkeling." Beide categorieën kunnen voor beleggers interessant zijn, stelt hij. "Wij letten vooral op de strategie voor de komende jaren: die moet goed zijn doordacht."

Naar de beurs
Er moet veel werk worden verzet voor een onderneming naar de beurs kan. Eerst wordt een syndicaat gevormd van banken en brokers die het bedrijf begeleiden. Zij onderzoeken hoe het concern ervoor staat en wat een reële waardering zou zijn. Vervolgens benadert het syndicaat mogelijke investeerders, die naar aanleiding van gesprekken met de banken en een eigen bedrijfsanalyse besluiten of ze willen instappen.
Op basis van de inschrijvingen wordt de introductieprijs vastgesteld. Dat let nauw. Bij een te lage prijs haalt het bedrijf te weinig geld binnen. Maar is de prijs te hoog, dan ontstaat het risico op onvoldoende animo.
Aandelen die op de markt komen, worden dikwijls aangeboden met een kleine discount, om beleggers te trekken. Vaak stijgt vlak na de emissie de koers. Toch zwicht Grootveld nooit voor de verleiding om de stukken direct met winst te verkopen. "Wij kijken naar de potentie voor de langere termijn."
Een aandeelhouder die uit is op een quick win, schiet in zijn eigen voet, meent Grootveld. "Dat kan zich tegen je keren bij een volgende beursgang. Bedrijven willen graag een stabiele aandeelhoudersbasis. Bij de verdeling van de stukken over de belangstellenden, kijken ze daarnaar."
Als de eerste notering een feit is, is het altijd spannend hoe de koers zich hierna ontwikkelt. Volgens Grootveld maken veel bedrijven gebruik van een 'greenshoe optie', waardoor ze na een beursintroductie extra aandelen in omloop kunnen brengen. "Zo kunnen ze de koers na de beursgang wat stabiliseren."

Lees ook: