Als het om pensioenen gaat, begint het veel mensen te duizelen. Om orde te scheppen zet Robeco de belangrijkste pensioentermen voor u op een rij. Lees alle termen over uw pensioen in dit pensioenwoordenboek: van ‘actieve deelnemer’ tot tot ‘welvaartsvast pensioen’.

Wat is gunstiger: een DB- of een DC-regeling? Bent u beter af met een partnerpensioen op risico- of op opbouwbasis? En weet u wat het verschil is tussen een pensioengat en een pensioenbreuk? En wat u zelf kunt doen om ervoor te zorgen dat u straks voldoende overhoudt? Slechts één op de drie werkende Nederlanders is naar eigen zeggen goed op de hoogte van de eigen pensioenregeling en de hoogte van de oudedagvoorziening. Om u beter inzicht te geven in het Nederlandse pensioensysteem, zet Robeco de belangrijkste pensioentermen voor u op een rij.


Actieve deelnemer

Werknemer die meedoet aan de pensioenregeling en voor wie pensioenrechten worden opgebouwd bij een pensioenfonds, levensverzekeraar of pensioenpremie-instelling.

Afstempelen

Verlagen van pensioenaanspraken. Voor werknemers betekent dat een lagere opbouw van hun pensioen. Gepensioneerden merken dat ze minder te besteden hebben. Deze maatregel geldt als laatste redmiddel om de dekkingsgraad weer op het minimaal vereiste niveau van 105 procent te laten uitkomen. Minder zware middelen zijn een premieverhoging en tijdelijk afzien van indexatie.

AOW

Afkorting voor Algemene Ouderdomswet, een volksverzekering die elke inwoner van Nederland vanaf de AOW-leeftijd voorziet in een basispensioen. Dit staat bekend als de eerste pijler van ons pensioenstelsel. Vroeger kregen mensen vanaf 65 jaar een AOW-uitkering, maar de AOW-leeftijd gaat sinds 2013 stapsgewijs omhoog, naar 67 jaar in 2023. Op de website www.svb.nl kunt u zien wanneer u AOW ontvangt.

AOW-gat

Een tijdelijk gat in het inkomen dat ontstaat door de geleidelijke verhoging van de AOW-leeftijd. Mensen met een prepensioen die tot hun 65e een uitkering ontvangen, kunnen hier vanaf 2015 mee te maken krijgen.

Aspirant-deelnemer

Werknemer die nog niet voldoet aan de voorwaarden om te kunnen deelnemen aan de pensioenregeling van zijn werkgever. Hij of zij is bijvoorbeeld nog te jong of te kort in dienst en zit daarom in de wachtkamer.

Arbeidsongeschiktheidspensioen

Pensioen dat u krijgt als u arbeidsongeschikt bent en uw ouderdomspensioen nog niet is ingegaan.

Backservice

Verplichting voor de werkgever om na een salarisstijging de pensioenrechten van de werknemer met terugwerkende kracht aan te passen. Het pensioen dat voorheen is opgebouwd gaat dus omhoog. Dit fenomeen geldt voor de eindloonregeling.

Bedrijfstakpensioenfonds

Overkoepelend pensioenfonds waarbij bedrijven uit een bepaalde bedrijfstak zijn aangesloten.

Beroepspensioenfonds

Pensioenfonds voor mensen met hetzelfde beroep, zoals notarissen of huisartsen.

Cafetariasysteem

Systeem binnen de pensioenregeling waarbij u als werknemer keuzevrijheid heeft in verschillende pensioenvormen en -hoogtes, zoals een hoger partnerpensioen.

Deeltijdpensioen

Vorm van pensionering waarbij u part time blijft werken - en dus pensioenrechten blijft opbouwen - en voor het overige deel met (vervroegd) pensioen gaat.

Defined benefit (DB)

Een pensioensysteem waarbij werknemers pensioenrechten opbouwen. De hoogte van het pensioen vormt het uitgangspunt en de premies worden daarop aangepast.

Defined contribution (DC)

Pensioensysteem waarbij de premies het uitgangspunt vormen. Hoeveel pensioen u krijgt ligt vooraf niet vast. Het uiteindelijke bedrag hangt onder andere af van de ingelegde premies, de kosten en het rendement uit beleggingen. Dit systeem wordt ook wel beschikbare-premieregeling genoemd.

Dekkingsgraad

De verhouding tussen het vermogen van een pensioenfonds en uit te keren pensioenen. Dit cijfer geeft dus aan in hoeverre een pensioenfonds aan zijn verplichtingen kan voldoen. Een pensioenfonds moet een minimale dekkingsgraad van 105 procent hebben. Er is dan tegenover elke euro die het fonds moet uitbetalen, 1,05 euro in kas.

Derde pijler

Individuele, vrijwillige pensioenvoorziening. Deze komt bovenop de eerste pijler (AOW) en de tweede pijler (het pensioen dat u bij uw werkgever opbouwt).

Eindloonregeling

Pensioenregeling waarbij de hoogte van het pensioen afhankelijk is van het salaris dat de pensioengerechtigde verdiende vlak voor hij of zij met pensioen ging.

Factor A

Cijfer dat de hoogte van uw pensioenaangroei in een bepaald jaar weergeeft. Dit cijfer is nodig voor de berekening van de jaarruimte.

Fictieve deelnemersjaren

De periode die bij de berekening van het pensioen wordt meegenomen terwijl u nog niet bij die werkgever in dienst was. Fictieve deelnemersjaren kunnen worden toebedeeld als u een andere baan krijgt en de opgebouwde pensioenrechten meeneemt (waarde-overdracht).

FOR

Afkorting voor fiscale oudedagsreserve, een belastingfaciliteit voor zelfstandig ondernemers. Zij mogen elk jaar een percentage van hun winst aftrekken en stellen daarmee belastingheffing uit. Pas als ze hun bedrijf staken of met pensioen gaan, houdt de fiscus de hand op.

Franchise

Gedeelte van het inkomen waarover u geen pensioen opbouwt. Omdat u later AOW ontvangt, wordt vaak niet over het hele salaris pensioen opgebouwd.

Herstelplan

Een plan dat een pensioenfonds bij de Nederlandsche Bank moet indienen om de dekkingsgraad weer op het juiste niveau op te krikken. Het fonds kan bijvoorbeeld besluiten om de premies te verhogen of tijdelijk niet te indexeren. Sorteert dit onvoldoende effect, dan resteert afstempelen.

Indexeren

Aanpassen van de pensioenen en pensioenaanspraken aan de gestegen lonen of prijzen. Een waardevast pensioen wordt aangepast aan prijsstijgingen; een welvaartsvast pensioen aan loonstijgingen. Veel pensioenuitvoerders moesten de afgelopen jaren noodgedwongen afzien van indexatie. Bij herstel van de reserves is een inhaalslag mogelijk. Als een pensioenfonds structureel niet indexeert, dreigt een fors pensioentekort.

Jaarruimte

Het maximale bedrag dat u mag aftrekken als lijfrentepremie om een tekort in uw pensioenopbouw aan te vullen. De fiscale ruimte is dit jaar beperkt. Hierdoor hebben werknemers minder ruimte om pensioen op te bouwen.

Middelloonregeling

Pensioenregeling waarbij de hoogte van het pensioen is gebaseerd op het gemiddelde salaris dat een werknemer in zijn loopbaan verdient. Anders dan bij de eindloonregeling kent de middelloonvariant geen backservice, waarbij het voorheen opgebouwde pensioen met terugwerkende kracht wordt opgehoogd.

Niet-actieve deelnemer

Oud-deelnemer aan een pensioenregeling die wel aanspraak maakt op de opgebouwde rechten, maar geen extra pensioen meer opbouwt, omdat hij afscheid heeft genomen van het bedrijf of de bedrijfstak.

Omkeerregeling

Regel die voorschrijft dat u pas belasting bent verschuldigd over uw pensioen op het moment dat u het ontvangt. U hoeft dus geen belasting te betalen in de opbouwfase.

Ondernemingspensioenfonds

Pensioenfonds dat is verbonden aan een bepaald bedrijf.

Opbouwpercentage

Het percentage van de pensioengrondslag (pensioengevend salaris minus franchise) dat u per jaar opbouwt. Omdat de pensioenleeftijd is uitgesteld, is ook het fiscaal maximale opbouwpercentage gedaald, naar 2,15 procent voor middelloonregelingen. Voor eindloonregelingen bedraagt dit percentage 1,9 procent.

Partnerpensioen

Het pensioen dat uw partner krijgt als u overlijdt; ook wel nabestaandenpensioen genoemd. Raadpleeg uw pensioenregeling om te weten of uw partner hierop aanspraak maakt. Het partnerpensioen kent twee varianten: op opbouwbasis en op risicobasis.

Partnerpensioen op opbouwbasis

Bij dit partnerenpensioen wordt een spaarpotje opgebouwd dat na overlijden altijd uitkeert. Stopt u met de opbouw, dan blijft het recht op het tot dan toe opgebouwde partnerpensioen bestaan.

Partnerpensioen op risicobasis

Bij dit partnerpensioen vervalt het recht op een uitkering als uw partner uit dienst treedt. Het is een soort verzekering. Anders dan bij een partnerpensioen op opbouwbasis, is het niet mogelijk om het opgebouwde partnerpensioen op de pensioendatum te ruilen voor een hoger pensioen. Een ander verschil is dat bij echtscheiding uw ex-partner geen recht heeft op het partnerpensioen dat u tot de datum van echtscheiding heeft opgebouwd. Dit is wel het geval bij een partnerpensioen op opbouwbasis.

Pensioenbreuk

Verstoring in de pensioenopbouw die optreedt als u overstapt naar een andere pensioenregeling, omdat u een andere baan krijgt. U begint dan opnieuw met de opbouw van een pensioen. Het al opgebouwde pensioen wordt soms niet volledig aangepast aan de prijs- of loonontwikkeling. Dat kan leiden tot koopkrachtverlies.

Pensioenfonds

Organisatie die de pensioenpremies int en belegt en het pensioen uitkeert aan gepensioneerden. Er bestaan drie soorten pensioenfondsen:

  • Bedrijfstakpensioenfondsen
  • ondernemingspensioenfondsen
  • beroepspensioenfondsen.

Pensioengat

Het bedrag dat u na uw pensionering jaarlijks tekort komt om van te leven. Een vaak gehanteerde vuistregel is dat u minimaal 70 procent van het laatstverdiende salaris nodig heeft. Het tekort kan op verschillende manieren ontstaan, bijvoorbeeld als u enkele jaren niet of minder heeft gewerkt, van baan bent gewisseld of met vervroegd pensioen gaat. Pensioengat is een ruimer begrip dan pensioenbreuk. Een pensioenbreuk is het deel van het pensioengat dat ontstaat door wisseling van werkgever. U kunt een dreigend pensioentekort wegwerken door zelf te sparen of te beleggen.

Pensioengrondslag

Uw jaarsalaris na aftrek van de zogeheten franchise. U bouwt pensioen op over de pensioengrondslag en dus niet over uw hele salaris.

Pensioenpremie

Periodieke betaling van een werknemer en/of werkgever aan een pensioenfonds voor de financiering van het toekomstige pensioen.

Pensioenpremie-instelling (PPI)

Een pensioenuitvoerder die pensioenregelingen uitvoert en pensioenvermogen opbouwt. Het verschil met andere pensioenuitvoerders (verzekeraars en pensioenfondsen) is dat een PPI niet zelf het risico draagt.

Pensioenreglement

Document waarin uw pensioenregeling wordt omschreven. Hier vindt u de rechten en plichten van (gewezen) deelnemers, gepensioneerden en de pensioenuitvoerder.

Pensioenstelsel

Pensioensysteem. In Nederland bestaat dit uit drie pijlers:

  • de AOW (die door de overheid wordt verstrekt);
  • het pensioen dat u bij uw werkgever opbouwt;
  • aanvullingen op het pensioen waarvoor u zelf zorg draagt (door bijvoorbeeld sparen of beleggen).

Pensioenuitvoerder

Een pensioenfonds, een premiepensioeninstelling of een levensverzekeraar.

Premie

Het bedrag dat uw werkgever moet betalen aan de pensioenuitvoerder, voor uw pensioen.

Rekenrente

De rente waarmee pensioenfondsen hun toekomstige verplichtingen naar nu terugrekenen.

Reserveringsruimte

De optelsom van ongebruikte jaarruimten. Als u een pensioentekort heeft, mag u de ongebruikte jaarruimtes van de afgelopen zeven jaar bij elkaar optellen en dit onderbrengen in een lijfrente. De betaalde premie is fiscaal aftrekbaar.

Slaper

Werknemer die niet langer deelneemt aan de pensioenregeling, vanwege een wisseling van baan. Hij bouwt geen extra pensioen meer op, maar houdt wel recht op wat hij heeft opgebouwd. Ook gewezen deelnemer genoemd.

Uitruil

De mogelijkheid om het opgebouwde partnerpensioen om te zetten in een hoger ouderdomspensioen of een deel van het ouderdomspensioen om te zetten in partnerpensioen.

Uniform pensioenoverzicht (UPO)

Pensioenoverzicht dat werknemers elk jaar krijgen toegestuurd en voormalige deelnemers eenmaal per vijf jaar. Alle pensioenuitvoerders gebruiken dezelfde indeling, zodat u eenvoudig bedragen kunt vergelijken. Benieuwd wat u heeft opgebouwd? Surf dan naar www.mijnpensioenoverzicht.nl.

Waardeoverdracht

Meeverhuizen van de pensioenrechten die u in uw vorige baan heeft opgebouwd, naar het pensioenfonds van uw nieuwe werkgever. Dit is niet verplicht. Of waardeoverdracht gunstig uitpakt, hangt af van veel factoren, zoals de indexatieverwachtingen en de invulling van het partnerpensioen. Leg beide regelingen zorgvuldig naast elkaar voor u de knoop doorhakt. Bij een te lage dekkingsgraad, is waardeoverdracht niet mogelijk.

Waardevast pensioen

Pensioen waarbij de hoogte jaarlijks wordt aangepast aan de inflatie. Dit is meestal geen automatisme; als er onvoldoende geld voor is, gaat de aanpassing niet door.

Wachttijd

Periode waarin een werknemer moet wachten voor hij of zij mag deelnemen aan de pensioenregeling van zijn werkgever. Vaak worden hierna de pensioenaanspraken met terugwerkende kracht toegekend.

Welvaartsvast pensioen

Pensioen waarbij de hoogte jaarlijks wordt aangepast aan loonstijgingen. Net als bij een waardevast pensioen is aanpassing niet gegarandeerd.