Snel studeren loont, want wie nu nog binnen vier jaar afstudeert, hoeft de ontvangen studiefinanciering en de OV-studentenkaart niet terug te betalen. Dat verandert in 2014, want wie in dat jaar met zijn studie begint moet net als in bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk eventuele kosten voor de studiefinanciering en de OV-kaart terugbetalen als de afgestudeerde uiteindelijk een baan met een redelijk salaris heeft. Het vooruitzicht van een lagere bijdrage van de overheid is een stimulans voor betrokken ouders om alvast een begin te maken met het opbouwen van een studiespaarpot voor hun kinderen. 
 
Uit of thuis
Volgens de Studentenmonitor Hoger Onderwijs gaf een thuiswonende student in 2011 gemiddeld per maand 555 euro uit tegenover 940 euro voor een student op kamers. Dat betekent dat er minimaal zo’n 27.000 euro nodig is om de studieperiode van een thuiswonende student die in vier jaar afstudeert te financieren. Maar dat bedrag kan oplopen ruim 56.000 euro voor een uitwonende student die een jaar langer over zijn opleiding doet. Andere factoren die zich niet van tevoren laten voorspellen, zijn eventuele neveninkomsten – gemiddeld verdient een thuiswonende student per maand 303 euro en een uitwonende 379 euro met een (bij)baan – en de invloed van eventuele nieuwe maatregelen.

70 euro per maand
Een bedrag van 15.120 euro zou momenteel voldoende zijn om een thuiswonende student met een gemiddelde bijbaan in vijf jaar aan zijn of haar diploma te helpen. Om aan een dergelijke som te komen zouden ouders gedurende achttien jaar maandelijks 70 euro opzij moeten leggen. Met een kortere horizon van bijvoorbeeld tien jaar loopt dat bedrag op tot 126 euro per maand. In de maandschatting wordt bewust geen rekening gehouden met rente. Het verleden wijst namelijk uit dat die grofweg weggestreept kan worden tegen de stijging van de studiekosten als gevolg van inflatie en een hoger collegegeld.

Sociaal leenstelsel over de grens, Australië
Nederland is niet het eerste land dat de overstap maakt van een studiefinanciering naar een sociaal leenstelsel. In Australië werd een dergelijk systeem al in 1989 ingevoerd. Studenten kregen toen de mogelijkheid om het betalen van collegegelden uit te stellen tot na het afstuderen. Pas als het inkomen boven het nationaal gemiddelde uitkomt, wordt drie procent daarvan ingehouden als aflossing. Naarmate het inkomen verder groeit, neemt het percentage dat als aflossing wordt ingehouden ook geleidelijk toe.

Studierichting
Hoeveel studenten zelf moeten bijdragen varieert per studierichting. Het bedrag wordt bepaald door de werkelijke kosten, door het inkomstenperspectief van een afgestudeerde en door dreigende tekorten binnen bepaalde beroepsgroepen. Hierdoor kan het collegegeld voor een rechtenstudent (omgerekend maximaal 7.670 euro) ongeveer twee keer zo hoog zijn als dat van bijvoorbeeld een verpleegkundige (omgerekend maximaal 3.680 euro).

Collegegeld, Nederland
Bij ons bedraagt het collegegeld 1.771 euro per jaar. Dat is bijna twee keer zo veel als de (omgerekend) 975 euro van achttien jaar geleden. Het verschil geeft aan dat de daadwerkelijke kosten uiteindelijk een stuk hoger liggen dan op het moment dat de meeste ouders beginnen met sparen. Het Nederlandse collegegeld is ongeveer het dubbele van het Europees gemiddelde, maar er zijn landen waar een nog groter prijskaartje aan een studie hangt. In het Verenigd Koninkrijk is het basiscollegegeld vanaf september bijvoorbeeld 6.000 pond (7.480 euro) en het maximumcollegegeld bedraagt 9.000 pond (11.220 euro).