Nederlanders hebben weinig vertrouwen in hun pensioen, zo bleek uit een omvangrijk pensioenonderzoek dat Robeco een half jaar geleden liet uitvoeren. Hadden de deelnemers gelijk of niet? Een update.

Medio 2014 werd in opdracht van Robeco een groot onderzoek gedaan naar de visie van werkende Nederlanders tussen de 30 en 65 jaar op het pensioen. De conclusie: Nederlanders zijn onzeker over hun pensioen. Niet alleen vrezen ze dat ze later dan verwacht met pensioen kunnen, maar ook dat de pensioenuitkering veel lager is dan verwacht. Zes maanden later lijkt die vrees terecht.

Later met pensioen
62,5 jaar is de gemiddelde leeftijd waarop de deelnemers aan het onderzoek met pensioen willen als ze zelf kunnen kiezen. Men verwacht echter tot gemiddeld 67 jaar door te moeten werken. Een realistische visie; de AOW-leeftijd wordt immers in stappen verhoogd. De kans is echter groot dat ondervraagden – afhankelijk van hun leeftijd – straks pas na hun 67ste met pensioen kunnen. De verhoging van de pensioenleeftijd wordt namelijk versneld. In november werd hiertoe een wetsvoorstel ingediend. Al in 2021 is de AOW-leeftijd daarom 67 jaar, eerst zou dat in 2023 zijn.

Sober
Zeven van de tien werkenden gaan ervan uit dat hun pensioen straks flink is versoberd, zo liet onderzoek zien. Dat is echter niet alleen het gevolg van de crisis zoals veel deelnemers denken. De werkelijke oorzaak is omvangrijker en ligt verder in het verleden. Jarenlang is er onvoldoende rekening gehouden met onder andere de vergrijzing en toenemende levensverwachting. De pensioenuitkeringen voor een grote groep gepensioneerden die langer dan verwacht van het pensioen geniet, zijn moeilijk op te brengen. Een omvangrijk probleem dat nog steeds flinke ingrepen vraagt. Om pensioen betaalbaar te houden wordt in 2015 daarom de maximale pensioenopbouw beperkt, het opbouwpercentage verlaagd en indexering verder bemoeilijkt door strengere regels voor pensioenen. Daarmee wordt het pensioen van veel van de ondervraagden verder versoberd.

Jongeren worden harder getroffen
In het onderzoek toonde de oudste groep werkenden (tussen de 60-65 jaar) zich relatief positief over het pensioen. Jongere deelnemers zijn veel pessimistischer over het pensioen dat ze straks ontvangen. Dat sluit aan bij de realiteit; veel van de aanpassingen in het pensioenstelsel treffen werkenden en jongeren harder dan oudere werknemers. Ook betalen jonge werkenden simpel meer premie voor minder pensioen. Oudere werknemers profiteren vaak nog van de pensioenen die ze in meer riante pensioenregelingen hebben opgebouwd. Opvallend is dat vrouwelijke deelnemers aan het onderzoek meer vrezen voor de zekerheid rond hun pensioen dan mannen. Pensioen is voor mannen en vrouwen hetzelfde. In de praktijk is wel de loopbaan van veel vrouwen anders dan die van mannen. Vrouwen werken twee keer zo vaak in deeltijd als mannen, waardoor minder pensioen wordt opgebouwd bij de werkgever en er minder ruimte is om extra voor het pensioen te sparen.

Goedmaken
Een groot deel van de ondervraagden verwacht een pensioentekort te hebben, maar denkt dat hier niets meer aan te doen is. Slechts 23 procent denkt in staat te zijn de schade (grotendeels) goed te kunnen maken. Iets meer dan een kwart (27%) verwacht dit voor een deel te kunnen doen. Het goede nieuws is dat door tijdig te starten met sparen of beleggen wel degelijk een substantiële pensioenaanvulling kan worden opgebouwd. De tijd werkt daarbij in het voordeel.