De één-kind-politiek in China is nog altijd van kracht. Het leidt ertoe dat ouders hun enige spruit (bij voorkeur een jongen, sorry dames) als een prins behandelen. Er wordt gespaard voor het jonge ventje dat het een lieve lust heeft. Alles om hem een gedegen opleiding te geven en later naar een goede universiteit te kunnen sturen. Er wordt veel geld en tijd gespendeerd aan scholen en bijlessen. Chinese kinderen van zogenaamde “tijgermoeders” besteden een groot deel van hun jeugd niet buiten maar binnen om Chinese woordjes te stampen (de Chinese taal is te moeilijk om zomaar op straat te leren) of pianolessen te genieten (naar verluidt goed voor de wiskundige ontwikkeling van het brein).

Het Chinese schoolsysteem is zeer gedegen. De overheid zorgt voor de basis via een verplichte lagere en middelbare school opleiding met een leerplicht tot 15 jaar. Hoewel het streven is om de scholing gratis te verstrekken wordt aan veel ouders in armere gemeentes niettemin gevraagd een financiële bijdrage te leveren. Omdat de Chinese taal zo moeilijk is (met name het lezen en schrijven van karakters) wordt meer dan een derde van de tijd aan het leren van de taal besteed. Tegenwoordig wordt ook al vanaf tien jaar aandacht besteed aan de Engelse taal. Helaas gaat dat vooral via het uit het hoofd leren van vaste zinnetjes zodat de uiteindelijke Engelse taalvaardigheid erg tegenvalt. En dus wordt er ook veel geld verdiend met avondcursussen Engels.

Na de middenschool, dus na het 15e levensjaar, studeert bijna 50% van de kinderen verder. Ze moeten dan het geduchte Zhongkao examen afleggen. Toelating op de beste hogescholen vindt plaats op basis van de toetsresultaten. Logisch dat er rondom de voorbereiding voor de Zhongkao een hele industrie is ontstaan. Kinderen worden voor veel geld bijgeschoold, gedrild met proefexamens en getraind in de juiste toetstactieken. Iemand die net niet goed genoeg scoort kan alsnog toelating verkrijgen als de ouders bereid zijn een extra hoog schoolgeld te betalen. Kapitalisme in actie in communistisch China.

Wie drie jaar later door wil naar de universiteit moet opnieuw een toelatingsexamen doorstaan en ook hierin kan geld wat mindere resultaten verdoezelen. De kwaliteit van het Chinese onderwijs wordt in het algemeen hoog aangeslagen. Bij een internationale vergelijkende test scoorden Chinese studenten relatief hoog met name op het gebied van wis- en natuurkunde hoewel sommige boze tongen beweren dat de Chinezen gesjoemeld hebben met de toets. Naast de staatsscholen is er ook een bloeiend contigent van ruim 70.000 private scholen. Want onderwijs kan natuurlijk altijd beter. Tevens trekt China steeds meer buitenlandse studenten aan. Naar schatting komen er jaarlijks 300.000 buitenlanders naar Chinese universiteiten en taleninstituten om te studeren. Maar het mooiste is het nog steeds om te gaan studeren in het buitenland, zeker als je rijke ouders hebt. Stanford of Harvard is voor rijke Chinese kinderen via stevige donaties aan het schoolfonds best haalbaar. Het is de vraag of deze prestigieuze universiteiten erg blij zijn met zulke verwende en niet noodzakelijk getalenteerde prinsen..... Hoe dan ook, het scholingssysteem van China zit goed in elkaar en behaalt een kwalitatief zeer acceptabel niveau. China levert aan het einde van de rit elk jaar circa zes mlijoen afgestudeerde jongeren af. Ouders investeren zich te pletter in het kroost. Een studie van Credit Suisse gaf aan dat stedelingen van hun maandelijks inkomen van 1000 tot 1500 euro gemiddeld 370 euro uitgeven aan onderwijs. Alle ouders willen hun kind optimale kansen bieden in de samenleving.

Maar dan als de bul behaald is, dan gaat het fout. Er is onvoldoende werk voor deze jonge enthousiaste academici! Elk jaar wordt er op diverse banenbeurzen gevochten voor de betere plekken in het bedrijfsleven of in de overheid. Veel jongeren eindigen in een baan waarvoor ze duidelijk overgekwalificeerd zijn. Want werk is er voldoende in China. De fabrieken waar in ploegendienst 24 uur per dag telefoons in elkaar geschroefd worden, kunnen geen personeel vinden terwijl om de kantoorbanen gevochten wordt. En dat geldt wel voor meer aspecten van de Chinese economie: het aanbod, de infrastructuur, is die van een moderne economie maar de vraag is toch nog vooral die van een ontwikkelingseconomie. Wel jammer van al die uren achter de piano.

Deze column verscheen eerder in DFT