In deze rubriek belicht Lukas Daalder op geheel eigen wijze de meest interessante, informatieve en intrigerende grafieken uit de financiële wereld.

Dit keer een grafiek over groei en werkgelegenheid in de VS, die drie invalshoeken kent, met uiteenlopende conclusies.

gdp-and-employment-growth.png
https://www.stlouisfed.org/on-the-economy/2016/february/gdp-jobs-schism-asserted-again-2015

Laat ik beginnen met de opmerking dat deze grafiek niet helemaal eerlijk is. De grafiek laat het ‘verband’ tussen de groei van de Amerikaanse economie en die van de werkgelegenheid zien. Tot zover geen probleem. Het punt is alleen dat de linker waarneming een periode van 20 jaar beslaat, terwijl de rechter waarnemingen slechts twee losse jaren zijn. Dat er – om wat voor reden - zo nu en dan een jaar tussen zit dat afwijkt van het langetermijngemiddelde, is uiteraard niet zo heel erg opmerkelijk. Door dus twee losse jaren te laten zien kan het lijken alsof we te maken hebben met een structurele verandering. Maar in de praktijk is het weinig meer …… dan tijdelijke ruis.

Check
Om dat punt gelijk maar even uit de wereld te helpen, heb ik een check uitgevoerd. De linker waarneming is dezelfde als in de eerste grafiek, de rechter waarneming geeft de gemiddelden van de periode 2010-2015 weer. Nog steeds heb je te maken met een verschil in duur van de steekproef, maar de factor ruis zal in de tweede grafiek minder groot zijn. Wat blijkt: het verband blijft staan: we hebben vergelijkbare banengroei (1,6% in de laatste vijf jaar tegen 1,5% de twintig jaar vóór de Grote Recessie) met een lagere BBP-groei (3,1% versus 2,0%).

gdp-and-employment-growth-2.png

In de eerste instantie lijkt de boodschap van deze grafiek redelijk bemoedigend, Waarom zouden we ons druk maken om lagere groei? Kennelijk doet het er niet zo heel veel toe hoe sterk de economie precies groeit, de banenmotor blijft netjes doordraaien, zo blijkt. Aangezien voor een individu een baan belangrijk is dan de groei van de hele economie, is dit mooi nieuws, toch? Als er sprake was geweest van een vast verband tussen banengroei en BBP-groei, dan zou de lage groei die we de afgelopen vijf jaar hebben gezien, tot veel lagere banengroei hebben geleid, met alle ellende van dien. Blij toe dat die relatie niet vast ligt!

Andere kant van de medaille
Maar dan de andere kant van de medaille: die verslechterde verhouding tussen BBP-groei en banen is juist heel slecht nieuws. Het verschil tussen de oranje en de blauwe balk geeft namelijk de (arbeids)productiviteit van een economie weer, de extra groei die samenhangt met het feit dat we efficiënter zijn gaan produceren. Waar banengroei in de 1987-2006 gemiddeld 2 keer zoveel aan BBP-productie opleverde, zie je dat dat momenteel nog maar 1,25 keer.

Maatstaf voor welvaart
Internationaal wordt het BBP per hoofd van de bevolking gezien als de maatstaf die de langetermijnontwikkeling van de welvaart van een land weergeeft. De opkomst van China als supermacht bijvoorbeeld is niet zozeer te danken geweest aan de sterke groei van banen (hoewel dat ook zeker een rol gespeeld heeft), maar veel meer met de sterke groei van BBP per hoofd van de bevolking. Productiviteitswinst leidt tot hogere efficiëntie en betekent ook doorgaans dat er meer welvaart voor alle betrokkenen te verdelen is. Als die productiviteitswinst hapert, betekent het dat de koek steeds minder snel groeit, met alle consequenties van dien. Daarnaast roept een beperkte groei van de productiviteit de vraag op of we niet de grens van ons groeipotentieel hebben bereikt, of dat we vanaf nu moeten rekenen met structureel lagere groeivoeten. Dat heeft weer belangrijke consequenties voor bijvoorbeeld de betaalbaarheid en houdbaarheid van schuldenlast, de wenselijkheid tot het doen van investeren (waarom investeren als de economie nauwelijks groeit?), etcetera.

gdp-per-capita.png
http://www.silver.fi/sivu/en/exploration/market/

Derde interpretatie
Nu is er nog een derde interpretatie mogelijk, namelijk dat we appels met peren vergelijken. Aan de ene kant heb je banengroei, wat op papier tenminste een redelijk makkelijk te meten maatstaf is: je telt het aantal banen in jaar 1, telt de banen in jaar 2, corrigeert wellicht nog voor deeltijdsbanen en klaar ben je. Nu is de ene baan de andere niet en dat zal tot enige statistische ruis leiden, maar die valt in het niet bij de problemen die de andere maatstaf – het BBP - oplevert. Het BBP is een statistische maatstaf die tracht de totale eindproductie van een land weer te geven. Voor zaken als verkochte broden of geproduceerde fietsen is dat nog wel te doen, maar een groot deel van de rest van de economie hangt van subjectieve veronderstellingen.

Wat voegt leraar of beleggingsstrateeg toe?
Hoe moet je de productie van bijvoorbeeld een leraar berekenen of wat voegt een beleggingsstrateeg nou eigenlijk toe? Zo worden ambtenaren op basis van hun salaris meegeteld in het BBP, terwijl de ‘productie’ van de bankensector vaak bepaald wordt door naar het verschil tussen de korte en lange rente te kijken. Een steeds groter deel van de economie hangt samen met de dienstensector, juist het deel waar de berekening niet altijd even makkelijk is. Bijkomend probleem is de aanpassing die moet plaatsvinden om van een nominale naar een reële omvang te komen, waarbij je een heel nieuw blik aan problemen opentrekt.

Steeds grotere vertekeningen
Al met al kun je de grafiek dus ook anders interpreteren: dat iets dat relatief goed meetbaar is – banengroei - zo stabiel is, kun je ook zien als een teken dat de berekening van het BBP steeds grotere vertekeningen oplevert.

Drie interpretaties. Goed nieuws dat de banengroei op peil blijft, slecht nieuws dat de productiviteit stilvalt of BBP, weg ermee. Aan u de keuze.