De nieuwsberichten over de lage dekkingsgraad van pensioenfondsen wekken de indruk dat het niet best gesteld is met onze oudedagsvoorziening. In een vergelijking met andere landen komt het Nederlandse systeem echter als een van de beste naar voren.

In Nederland is het gebruikelijk dat werknemers elke maand een deel van hun salaris afdragen aan een pensioenfonds. In ruil daarvoor ontvangen ze na hun pensionering elke maand een uitkering uit de pensioenpotten. De totale waarde van de Nederlandse pensioenspaarpot is volgens de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) bijna anderhalf keer zo groot als de jaarlijkse omvang van de Nederlandse economie. Daarmee loopt Nederland wereldwijd voorop.

Buurlanden
In buurlanden Duitsland en België zijn de reserves van de pensioenfondsen kleiner dan 20 procent van de omvang van de economie. Het grote verschil met Nederland wordt veroorzaakt doordat deze landen een ander stelsel gebruiken. In plaats van dat mensen zelf een bijdrage leveren aan de vermogensopbouw van pensioenfondsen, worden de pensioenen door de overheid betaald. Dit heet een omslagstelsel, aangezien de belastingbetalingen van werkenden worden omgeslagen in uitkeringen voor gepensioneerden.

Vergrijzing
Heel veel landen gebruiken een omslagstelsel. Een van de zwakke punten van dit systeem is dat het gaat wringen als de verhouding tussen werkenden en gepensioneerden verandert. Dat gebeurt bijvoorbeeld door vergrijzing. De overheid moet dan een balans vinden tussen het verhogen van belastingen voor de kleiner wordende groep werkenden en het verlagen van de uitkeringen aan de groeiende groep gepensioneerden. Een andere manier om de balans tussen de groepen enigszins in evenwicht te houden, is door het verhogen van de pensioenleeftijd, waar veel Europese landen inmiddels mee zijn begonnen.

Zweden
Andere landen hebben al eerder pensioenmaatregelen genomen om de effecten van vergrijzing op te vangen. Een goed voorbeeld daarvan is Zweden. Sinds 1999 moeten werknemers daar 2,5 procent van hun inkomen op een aparte rekening in beleggingsfondsen investeren als persoonlijke pensioenopbouw. Daarnaast wordt 16 procent van het inkomen gebruikt voor een aangepast omslagstelsel. De pensioenuitkeringen zijn verbonden aan het groeitempo van de Zweedse economie. De bedoeling is om ervoor te zorgen dat de pensioenen niet te zwaar op de overheidsuitgaven drukken in slechte tijden, zoals in 2010 en 2011 toen het uitkeringsniveau met ruim 3 procent daalde.

Nummer twee
In Nederland is een nationale daling van de pensioenuitkeringen niet aan de orde. Dankzij de grote reserves van de pensioenfondsen is ons systeem volgens onderzoeksbureaus zelfs na dat van Denemarken het beste ter wereld. Het geheim van de Denen? De grote pensioenfondsen hebben hoge dekkingsgraden en er is een groot aantal aanvullende persoonlijke pensioenregelingen. Zweden staat overigens in de ranglijst op de vijfde plaats, ruim voor Duitsland dat tussen Chili en Polen in de middenmoot van de twintig onderzochte landen staat.